Blue Flower

Gerard van der Burg, psycholoog. Leestijd: circa 12 minuten.

We zagen dat psychologen geen psychische verschijnselen verklaren. Voor het verklaren van psychische verschijnselen is een goede psychologische theorie noodzakelijk: een theorie over het onderliggende mechanisme van ons gedrag die is getoetst aan de empirie en is bevestigd. Een dergelijke theorie ontbreekt in de psychologie.
     Ik schets een theorie waarin onze gedachten, gevoelens en handelingen ontstaan uit de wisselwerking tussen het brein en de werkelijkheid. Daarmee verhelder ik de psychische verschijnselen van de onzichtbare gorilla en onze gehechtheid aan onze overtuigingen (tunnelvisie en 'nepnieuws!'). Tot slot bespreek ik de bestseller De meeste mensen deugen van historicus Rutger Bregman.

Psychologen nemen van oudsher aan dat psychische substanties, zoals het bewustzijn, onbewuste of zelfbeeld, ons gedrag bepalen. Toch heeft dit uitgangspunt niet geleid tot een goede theorie over ons denken, voelen en doen. Daar is een simpele reden voor: de psychische substanties bestaan niet. 
     Het 
bewustzijn, onbewuste en zelfbeeld zijn zelfstandige naamwoorden, alsof het dingen zijn die je kunt aanwijzen. Hersenwetenschappers onderscheiden vele gebieden in het brein, zoals de amygdala, hippocampus of nucleus accumbens. De hersenwetenschappers hebben echter het bewustzijn, onbewuste en zelfbeeld niet in de hersenen gevonden. Deze psychische substanties zijn in het brein afwezig als aanwijsbare substanties. Zij spelen dan ook geen rol in boeken over onze hersenen, zoals Wij zijn ons brein (2010) van Dick Swaab. (Het bewustzijn als een substantie in het brein bestaat dan niet, bewuste gedachten bestaan wel degelijk. Bijna elk moment schieten ons bewuste gedachten te binnen.)
     
Naast de psychische substanties gaan psychologen uit van zogenaamde 'cognitieve processen'. Ook die bestaan niet. 

De hersenen zijn geen computer
In de jaren vijftig van de vorige eeuw deed de computer zijn intrede. Psychologen gingen het brein met een computer vergelijken: de hersenen zijn áls een computer die de binnenkomende informatie verwerkt. Zoals de software in een computer informatie verwerkt, zo verwerken waarschijnlijk cognitieve processen de informatie uit de omgeving. Psychologen - en in navolging leken - zijn deze beeldspraak letterlijk gaan nemen: het brein ís een computer die informatie verwerkt. Psychologen en leken spreken bijvoorbeeld over 'het verwerken van informatie in het hoofd' of 'het resetten van de harde schijf'. Echter, onze hersenen zijn geen computer. Ik noem vijf verschillen.
     Allereerst bevat de computer geen enkele zenuwcel, het brein bevat zo'n honderd miljard zenuwcellen of neuronen. Ten tweede verwerkt een computer informatie, de neuronen verwerken elektrische impulsen en chemische stoffen (neurotransmitters). Ten derde kent de computer een duidelijk onderscheid tussen hardware en software. Dat onderscheid is in het brein afwezig. Ten vierde werkt de computer serieel, het brein parallel. Een computer is een hele snelle rekenaar die duizenden stappen per seconde uitvoert. Hersenscans geven aan dat verschillende hersengebieden tegelijkertijd actief zijn. Ten vijfde werkt een computer op stroom en het brein op de zuurstof en brandstof in het bloed.
     Het brein is geen computer waarin cognitieve processen de binnenkomende informatie verwerken. De enige processen die in de hersenen plaatsvinden zijn de elektrochemische processen in en tussen de honderd miljard neuronen.
     We kunnen dus concluderen dat ons gedrag niet wordt bepaald door het bewustzijn, onbewuste, zelfbeeld en cognitieve processen.

Het grote belang van de werkelijkheid 
Sommige hersenwetenschappers stellen dat ons gedrag louter door ons brein wordt veroorzaakt. Ons leven zou wel erg saai zijn als wij enkel ons brein zouden zijn: als de werkelijkheid er niet toe zou doen. De rijkdom van ons leven wordt juist bepaald door wat we meemaken in de werkelijkheid. Een theorie over ons gedrag moet uitgaan van de hersenen én van de werkelijkheid.
     De psychologie negeert echter de werkelijkheid. Zo komt in de talloze psychologische studies en theorieën het woord 'werkelijkheid' niet of nauwelijks voor. De reden is dat psychologen aannemen dat de werkelijkheid, die voor iedereen dezelfde is, de objectieve werkelijkheid, niet bestaat. Omdat de mens de werkelijkheid interpreteert bestaat er geen objectieve werkelijkheid, enkel een subjectieve of intersubjectieve werkelijkheid. Psychologen hebben dit inzicht uit de kennistheorie overgenomen (verwijzing 1, zie onderaan).
     Een objectieve werkelijkheid bestaat inderdaad niet, maar kennistheorie is geen psychologie. Voor de psychologie zou de werkelijkheid van groot belang moeten zijn. Alles wat we zien, horen, voelen, proeven en ruiken heeft namelijk invloed op ons gedrag. Ik geef een aantal voorbeelden. Als we onze sleutels kwijtraken zijn we geïrriteerd. We zijn verheugd over een goed gesprek. Met spanning kijken we naar topsport omdat onze favoriet kan winnen, maar ook kan verliezen. Als een dierbare overlijdt zijn we erg verdrietig. Allerlei gebeurtenissen beïnvloeden onze gedachten, gevoelens en handelingen. Toch kent de psychologie geen enkele theorie over de invloed van de werkelijkheid op ons gedrag (2).

De concrete werkelijkheid 
Ik neem aan dat onze gedachten, gevoelens en handelingen ontstaan uit de wisselwerking van het brein met de concrete werkelijkheid. Ik beschrijf in grote lijnen deze wisselwerking en begin met de concrete werkelijkheid.
     De mens leeft in de 'concrete werkelijkheid': de omgeving die hij met zijn zintuigen waarneemt. De concrete werkelijkheid van de mens bezit drie cruciale eigenschappen.
    Ten eerste wordt de mens in de concrete werkelijkheid omringd door talloze dingen, personen en gebeurtenissen, bijvoorbeeld: de zon; wolken; vogels; insecten; straten; auto’s; winkels en personen en hun gedrag (3). Wanneer de concrete werkelijkheid van de mens verandert, veranderen de dingen die hij waarneemt. Zo neemt hij in zijn woonkamer andere dingen, personen en gebeurtenissen waar, dan in het verkeer.
     Ten tweede is de mens voor zijn bestaan en welzijn afhankelijk van sommige dingen, personen en gebeurtenissen. Ik geef een aantal voorbeelden. Een baby is voor verzorging en een goede hechting afhankelijk van het gedrag van zijn ouders. Een mens is voor zijn gezondheid afhankelijk van drinkwater, brood, groente, fruit, vlees of een vleesvervanger. Een volwassene is voor zijn werk en inkomen afhankelijk van zijn werkgever en van de stand van de economie. De mens is voor zijn veiligheid afhankelijk van de regering, rechtspraak, politie en het leger van zijn land. Hij is voor een goed gevoel afhankelijk van zijn gezin en vrienden, zijn favoriete muziek en de overwinning van zijn favoriete elftal.
 
     Ten derde zijn voor het bestaan en welzijn van de mens sommige dingen, personen en gebeurtenissen slecht of gevaarlijk. Enkele voorbeelden zijn: vergif, bepaalde dieren, onaardige mensen, botsingen en bliksem.

Adequaat reageren
De mens leeft in een omgeving met vele dingen, personen en gebeurtenissen. Hij is voor zijn bestaan en welzijn afhankelijk van sommige dingen, personen en gebeurtenissen. Andere dingen, personen en gebeurtenissen zijn slecht of gevaarlijk voor hem. Door deze drie eigenschappen van de concrete werkelijkheid moet de mens goed omgaan met specifieke dingen, personen en gebeurtenissen. Dat is het geval.
     De mens reageert op een specifieke gebeurtenis met de handeling die daar bij hoort. Zo reageert hij ’s ochtends op het wekkersignaal door op de alarmknop te slaan en zijn ochtendritueel uit te voeren. Hij reageert op de kou met het aantrekken van warme kleding. Hij reageert zodanig op de andere verkeersdeelnemers dat hij ze niet raakt. Hij reageert op het aangeboden werk met het goed uitvoeren van zijn taken.
     Naast de adequate handelingen reageert de mens ook met adequate gedachten of uitspraken. De mens reageert op een specifieke gebeurtenis met de woorden die daar bij horen. Zo reageert de peuter op zijn moeder met de uitspraak: 'Mama'. In een gesprek reageert de een op de uitspraken van de ander met gedachten of uitspraken die daar van toepassing op zijn.
     Dit werkt in de hersenen van de mens waarschijnlijk als volgt. Bij het waarnemen van een specifieke gebeurtenis richten de zintuigen zich op die gebeurtenis. De zintuigen maken van die gebeurtenis specifieke elektrochemische activiteit. De specifieke elektrochemische activiteit activeert in het brein specifieke gebieden. De geactiveerde hersengebieden veroorzaken de handeling of de gedachte die hoort bij die specifieke gebeurtenis. De mens voert dan de bijbehorende handeling uit of de bijbehorende gedachte schiet hem te binnen.
     Ik noem twee aanwijzingen voor de juistheid van dit idee. Een: hersenscans tonen specifieke, zeer actieve hersengebieden aan. Proefpersonen krijgen een taak aangeboden terwijl ze in een hersenscanner liggen. Ze voeren de taak uit met de bijbehorende handeling of gedachte. De hersenscans laten zien dat tijdens het uitvoeren van de taak specifieke gebieden actiever zijn dan andere gebieden. Bij andere taken zijn weer andere hersengebieden actiever. De hersenscans ondersteunen het idee dat een specifieke taak of gebeurtenis die gebieden sterk activeren die de bijbehorende gedachte of handeling veroorzaken.
     Twee: wij reageren op specifieke dingen en gebeurtenissen bijna altijd adequaat. Soms verspreken wij ons of noemen een verkeerd woord. Wij herstellen ons dan direct of worden door de ander erop gewezen. Bij verschillende verworven hersenziekten reageert de patiënt op specifieke dingen of personen niet meer adequaat, zoals bij visuele agnosie en dementie. Patiënten met visuele agnosie herkennen alles, behalve specifieke dingen. Welke dingen dat zijn verschilt per patiënt. Zo zijn er patiënten die enkel dieren, planten of muziekinstrumenten niet meer herkennen. De patiënt in de eindfase van dementie herkent zijn naasten niet meer. Bij deze hersenziekten is aangetoond dat specifieke hersengebieden zijn aangetast. Deze hersenziekten impliceren dat mensen wél adequaat reageren op specifieke dingen en personen door middel van specifieke gezonde hersengebieden. 


Positieve en negatieve gevoelens
De mens is voor zijn bestaan en welzijn afhankelijk van sommige dingen, personen en gebeurtenissen. Andere dingen, personen en gebeurtenissen zijn slecht of gevaarlijk voor hem. Zo is vers voedsel goed voor de mens, maar bedorven voedsel slecht. Hierdoor zal de mens elk specifiek ding, persoon of gebeurtenis apart moeten waarderen. Dat doet hij. De hersenen van de mens waarderen (de elektrochemische activiteit van) elk specifiek ding, persoon of gebeurtenis positief of negatief. De mens ervaart dan een positief of negatief gevoel, hoe licht of sterk ook. Zo ervaart hij bij het waarnemen van bijvoorbeeld een specifiek apparaat, specifieke persoon en specifieke gebeurtenis een positief of negatief gevoel.
     Omdat positieve gevoelens goed zijn voor zijn bestaan en welbevinden, en negatieve gevoelens slecht, streeft de mens voortdurend naar positieve gevoelens en probeert hij negatieve gevoelens te voorkomen. Deze drijfveer van de mens blijkt uit drie soorten gedrag: gedrag om positieve gevoelens te bereiken; gedrag om negatieve gevoelens te voorkomen en gedrag in reactie op negatieve gevoelens met een grote kans op positieve gevoelens. Een voorbeeld van gedrag om positieve gevoelens te bereiken is het goed (leren) uitvoeren van allerlei handelingen, zoals lopen, autorijden of het werk goed doen. Een voorbeeld van gedrag om negatieve gevoelens te voorkomen is het vermijden van gebeurtenissen die waarschijnlijk negatieve gevoelens zullen opleveren. Twee voorbeelden van gedrag in reactie op negatieve gevoelens met een grote kans op positieve gevoelens is bijvoorbeeld snoepen of whatsappen en toegeven aan een dwang of verslaving. 
     Deze drijfveer van de mens lijkt op dat van neuropsycholoog Victor Lamme in zijn boek Waarom? - Op zoek naar wat ons werkelijk drijft (2016). Lamme concludeert op bladzijde 299: '[De] essentie van wat we zijn [is]: dieren op zoek naar beloning, die narigheid willen vermijden en graag doen wat anderen doen.' Lamme schrijft niet dat de mens eerst moet vaststellen of iets een beloning of narigheid inhoudt en hoe dat vaststellen geschiedt.

Met deze aanzet tot een theorie over het onderliggende mechanisme van ons denken, voelen en doen verhelder ik twee psychische verschijnselen. (Ik verhelder deze verschijnselen, ik verklaar ze niet. Verklaren gebeurt door een hypothese te toetsen aan de empirie waarbij de hypothese wordt bevestigd.)

De onzichtbare gorilla
In een beroemd experiment van Christopher Chabris en Daniel Simons kijken de deelnemers naar een filmpje met drie spelers in een wit shirt en drie spelers in een zwart shirt. De spelers van elk team werpen een basketbal naar elkaar toe, terwijl ze door elkaar heen lopen. De deelnemers aan het experiment moeten het aantal keren tellen dat een speler van het witte team de bal naar een teamlid passt. Tijdens het overspelen van de ballen loopt iemand in een gorillapak door de spelers heen, draait zich naar de camera en ramt zich op de borst. De deelnemers worden na het filmpje gevraagd of hen iets is opgevallen. De helft van de deelnemers blijkt de gorilla niet te hebben gezien. Dit verschijnsel is in diverse empirische studies aangetoond. (Psychologen hebben niet verklaard hoe dit verschijnsel in de mens ontstaat.)
     Mijn theoretische verklaring is eenvoudig. De omgeving bevat specifieke dingen, personen en gebeurtenissen. Om het aantal keren te tellen dat de bal van het witte team wordt gepasst moeten de deelnemers voortdurend hun aandacht daarop richten. De helft van de deelnemers doet dat en ziet geen andere dingen meer, zoals de gorilla. We hebben onterecht het idee dat we álles om ons heen voortdurend bewust waarnemen. We nemen op enig moment slechts één specifiek ding, persoon of gebeurtenis bewust waar
.

Onze sterke gehechtheid aan onze overtuigingen
De confirmatiebias of tunnelvisie is een bekend psychologisch verschijnsel. Het geeft aan dat mensen zoeken naar bevestiging van hun overtuigingen en feiten die met hun opvattingen in strijd zijn negeren. De actuele uitdrukking 'nepnieuws!' gaat een stapje verder. In plaats van te negeren verwerpt de gebruiker van dat woord het nieuwsfeit dat in strijd is met zijn overtuiging.
     De drijfveer van de mens kan tunnelvisie en de diskwalificatie ‘nepnieuws!’ verhelderen. De mens streeft voortdurend naar positieve gevoelens en probeert negatieve gevoelens te voorkomen. Dat geldt zeer waarschijnlijk ook voor onze gedachten. De mens koestert gedachten met positieve gevoelens, zoals onze overtuigingen, en negeert of verwerpt gedachten met negatieve gevoelens, zoals andere overtuigingen dan de onze (4).

De meeste mensen deugen 
Tegen de achtergrond van de website De psychologie is een pseudowetenschap en het bovenstaande kan De meeste mensen deugen van Rutger Bregman niet onbesproken blijven. Met een fantastische schrijfstijl en een optimistische inhoud geeft Bregman de lezer een fijn gevoel: de meeste mensen zijn nog niet zo slecht.
     Die stijl en inhoud verbloemen dat Bregman erg onduidelijk is. Want wat is wel of niet deugen? Een aantal mogelijkheden. Mensen deugen niet als ze oneerlijk zijn. Mensen deugen niet als ze een rechtse politieke voorkeur hebben. Mensen deugen niet als ze tegen klimaatmaatregelen zijn. Bregman is echter vaag: ‘In dit boek zal ik niet betogen dat we van nature goed zijn. Mensen zijn geen engelen. We hebben een goed been en een slecht been, de vraag is welk been we trainen. Ik zal slechts betogen dat we van nature, als kind, op een onbewoond eiland, als een oorlog begint of de dijken breken, een sterke voorkeur hebben voor dat goede been’ (p. 31).
     Uit het vervolg blijkt dat het Bregman om moord- en doodslag gaat (5). Vele oorlogen uit de geschiedenis passeren de revue. Ook de legendarische experimenten van Philip Zimbardo en Stanley Milgram komen aan bod. Deze experimenten toonden indertijd de moordzuchtige inborst van de mens aan. En dan komt de grote verrassing: beide experimenten waren geen objectieve onderzoeken. Volgens recent onderzoek van het archiefmateriaal van deze experimenten werd het gedrag van de proefpersonen doelbewust gestuurd. Zo beweerde Zimbardo van het Stanford Prison Experiment altijd dat de bewakers geen instructies kregen, terwijl ze aan maar liefst 17 regels moesten voldoen (p. 192). Bij het experiment van Milgram brak de meerderheid van de proefpersonen het experiment af als ze dachten dat de elektrische schokken echt waren (p. 209). Het manipuleren van onderzoeksresultaten is een doodzonde in de psychologie. De beroemde psychologen Zimbardo en Milgram deugden niet (6).
     Laten we uitgaan van het goede van de mens stelt Bregman in de laatste delen. Zorgondernemer Jos de Blok van Buurtzorg geeft zijn wijkverplegers veel vrijheid met zeer tevreden klanten en werknemers als gevolg. In Noorse gevangenissen krijgen de gedetineerden relatief veel vrijheid waardoor de sfeer veel menselijker is dan in Amerikaanse gevangenissen. In het Deense Aarhus ging men thee drinken met jonge moslims waarna het aantal Syriëstrijders sterk afnam.
     De historicus Bregman is geen scherpzinnig psycholoog. Uit de drie voorbeelden blijkt namelijk dat het gedrag van de mens verandert als de omgeving verandert. Bregman maakt deze wisselwerking van de mens met de concrete werkelijkheid niet expliciet. Of een mens prettig of vervelend gedrag vertoont, hangt mede af van zijn omstandigheden.

Samenvattend, psychologen gaan uit van niet bestaande substanties en processen en negeren de concrete werkelijkheid. Een schets voor een psychologische theorie maakt aannemelijk dat ons gedrag daadwerkelijk uit de wisselwerking tussen de hersenen en de concrete werkelijkheid ontstaat. Psychologen kunnen deze aanzet uitbreiden en toetsen aan de empirie. Als experimenten de theorie bevestigen zullen zeer waarschijnlijk vele psychische verschijnselen ermee kunnen worden verklaard.

Verwijzingen
1. Kennistheoretici en psychologen weten niet precies wat het interpreteren van de werkelijkheid door de mens betekent. Bij het interpreteren van de werkelijkheid door de mens speelt logischerwijze de mens én de werkelijkheid een grote rol.
2. Het behaviorisme onderzocht hoe gedrag (het handelen) wordt aan- en afgeleerd onder invloed van de omgeving. Het behaviorisme onderzocht niet hoe al het denken, voelen en doen van de mens ontstaat uit de wisselwerking van de hersenen van de mens met de omgeving of werkelijkheid.
3. Elk specifiek ding, persoon of gebeurtenis kent op zijn beurt weer specifieke soorten of exemplaren, zo zijn er talloze soorten of exemplaren van wolken, vogels, insecten, straten, auto’s, winkels, personen en gedrag.
4. Ook psychologen lijden aan tunnelvisie. Zij zijn namelijk gehecht aan het dogma uit de kennistheorie dat een objectieve werkelijkheid niet bestaat, omdat de mens de werkelijkheid interpreteert. Door dit dogma houden psychologen in hun studies en theorieën geen rekening met de concrete werkelijkheid. We mogen echter aannemen dat ook psychologen voor hun bestaan en welbevinden afhankelijk zijn van specifieke dingen, personen en gebeurtenissen. Ook psychologen zullen zeer waarschijnlijk een negatief gevoel ervaren als ze hun sleutels kwijtraken, ontslagen worden of als een dierbare overlijdt. Het is dom van psychologen dat ze vasthouden aan dit dogma uit de kennistheorie.
5. Als het Rutger Bregman om moord- en doodslag gaat, deugen de meeste mensen sowieso, want de meeste mensen moorden of doden niet.
6. Bregman schrijft dat Milgram, evenals Zimbardo, ‘een psycholoog [is] die dolgraag beroemd wilde worden. Een psycholoog die manipuleerde en misleidde om de resultaten te krijgen waar hij naar zocht. Een psycholoog die willens en wetens zwaar leed berokkende aan behulpzame mensen die hem vertrouwden’ (p. 207).